Borstcrawl

Techniek
ALBACA – Kijk hier het filmpje over ALBACA
Algemeen
Ligging
Benen
Armen
Combinatie
Ademhaling

Algemeen

De borstcrawl is de snelste slag van allemaal. Dit komt door de goede horizontale ligging en de constante stuwing. 

De slagfrequentie van een borstcrawl ligt voor een rustige slag tussen de 30 en 40 spm (slagen per minuut). Bij een snelle slag kan dit oplopen tot 60-70 spm. 

Ligging

De ligging is essentieel voor een snelle borstcrawl. Als de ligging niet goed is moet er teveel weerstand overwonnen worden. 

De belangrijkste criteria voor een goede ligging:
-Zo horizontaal mogelijk
-Hoofd, heupen en voeten raken het wateroppervlak. 

Benen

De beenslag bij de borstcrawl heeft verschillende functies:
-Stabiliseren 
-Slag horizontaal maken
-Voorwaartse stuwing leveren

De beenslag komt vanuit de heup. De knie is ontspannen en ondersteunt in lichte mate. De enkel is gestrekt met de tenen naar achter. 
De diepte van de kick is ongeveer 30-40 cm. Dit zou natuurlijk moeten voelen, maar wel voldoende diep moeten zijn. 
Belangrijk bij de beenslag is om smal te trappelen. 

Je trappelt ongeveer 6X per armslagcyclus. De beenslag is een snelle doorgaande beweging. Bij langere afstand kan de frequentie wat lager zijn. 

Belangrijkste aanwijzingen:
-Strek je tenen (tenen wijzen naar achteren)
-Trappel uit je heup
-“Schop je slipper uit”

Veel gemaakte fouten:
-Trappelen uit de knieën (fietsen)
-Trappelen met de tenen opgetrokken
-Te kleine beenslag
-Vergeten te trappelen
-Een stop in de trappel 

Armen

De functie van de armslag is het genereren van stuwing. Hij bestaat uit verschillende fases die allemaal een belangrijke functie hebben. Fouten in de armslag kunnen gevolgen hebben voor de ligging (en zelfs voor de uitvoering van de beenslag). 

De fases:
-Insteek
-Glijfase
-Catch
-Trek
-Duw
-Uithaal + overhaal

Insteek:
De insteek gebeurt met de vingers eerst, op 3/4 armlengte (bij het horloge van de andere hand). De insteek gebeurt snel. De vingers raken het water eerder dan de elleboog.

Glijfase:
Na de insteek strekken de armen met de vingers naar voren helemaal uit. “De vingers proberen de overkant aan te tikken” is een goede aanwijzing hiervoor. De elleboog is hoger dan de hand. 

Catch:
De catch wordt ingezet door de hand met de vingers eerst naar achteren te kantelen. De arm buigt bij de elleboog. De hand beweegt recht naar achteren. 

Trekfase:
Daarna trekt de arm verder naar achtere, vanuit de elleboog. Het is essentieel dat de hand recht naar achter beweegt en niet wijder gaat dan schouderbreedte. Ook mag de arm niet voorbij de neus-navellijn. Het einde van de trekfase is het moment dat de hand op dezelfde hoogte is als de elleboog. Er is sprake van een ‘verticale onderarm’. 

Duwfase:
Daarna duwt de ‘verticale onderarm’ zo lang mogelijk recht naar achteren. Als dit niet meer lukt, begint de elleboog te strekken. De hand duwt lang naar achteren, maar de hand klapt aan het eind van de beweging niet om. 

Uithaal en overhaal:
De uithaal begint door de elleboog naar het plafond te trekken. De arm is ontspannen. De overhaal gebeurt zo smal mogelijk zonder dat dit een liggingsverstoring tot gevolg heeft. 

Combinatie

De verhouding van de combinatie is afhankelijk van de afstand die gezwommen wordt. 

De meest veel voorkomende is 2 armslagen op 6 beenslagen (2:6). 
Wordt er harder gezwommen dan kan het zijn dat er 8 beenslagen gedaan worden. Bij langere afstanden worden er iets minder beenslagen uitgevoerd. Het kan zelfs teruglopen naar 2:2, echter is het zeer van belang om dit goed uit te voeren. Anders heeft het liggingsverstoring tot gevolg. 

Ademhaling

Een van de moeilijkste punten van de borstcrawl is de ademhaling. 
De ademhaling vindt plaats op het moment dat de arm bezig is met de glijfase. Het hoofd draait dan de andere kant op. 

Het hoofd draait om de lengte-as (als een kip aan het spit). Het oor leunt op de schouder. 

Zodra de lucht is ingeademd beweegt het hoofd terug naar de normale positie. 

Belangrijk is om de arm in glijfase met de handpalm naar de bodem te houden. Ook is het belangrijk om het hoofd zo weinig mogelijk te draaien. 

Overige punten

Meest voorkomende kansen op ontwikkeling

Voorbeeld 1

Voorbeeld 2

Voorbeeld 3

Techniekoefeningen

Voorbeeld 1

Voorbeeld 2

Voorbeeld 3

Keerpunt

Voorbeeld 1

Voorbeeld 2

Voorbeeld 3

Start

Voorbeeld 1

Voorbeeld 2

Voorbeeld 3